Berichten

punt

Einde strafproces decembermoorden ingezet

Vandaag  maakte de Krijgsraad, onder leiding van Cynthia Valstein-Montnor bekend, dat het strafproces naar de decembermoorden van 1982 wordt hervat.  Met deze uitspraak wordt de amnestiewet die in 2012 door de Nationale Assemblee is aangenomen terzijde gelegd.  Naar verwachting zal op 30 juni a.s. begonnen worden met de strafeis tegen Desi Bouterse, de hoofdverdachte en de 20 andere verdachten.

In mei 2012 besluit de Krijgsraad het strafproces te schorsen, tot er een besluit is genomen over de inmenging in de strafzaak, het aannemen van de  amnestiewet terwijl de zaak al liep. 

Op 27 november 2015 geeft het Hof van Justitie  op verzoek van de nabestaanden bevel aan het Openbaar Ministerie tot verdere vervolging van het strafproces en heft daarmee de schorsing op.

Nu er tot strafvervolging wordt overgegaan kunnen de nabestaanden zich ook voegen, een schadeclaim indienen, in het strafproces. Tot nu toe mochten de nabestaanden zich alleen voegen in de zaak van Roy Ritfeld, die hoger beroep had aangetekend.  Vanaf nu mogen zij zich in alle zaken van het strafproces voegen.  Zij zijn ook gevraagd om bewijslast te helpen leveren.

Irvin Kanhai, advocaat van hoofdverdachte Desi Bouterse en diverse andere verdachten in het lang voortslepende 8 decemberstrafproces, zegt vanochtend, vrijdag 10 juni 2016, op Starnieuws, verrast te zijn met de uitspraak gisteren van de Krijgsraad. Hij meent dat de Krijgsraad niet voorbij kan gaan aan de gewijzigde Amnestiewet die op 4 april 2012 is aangenomen in De Nationale Assemblee en een dag later van kracht werd.

Hij zal alle juridische mogelijkheden inzetten om het besluit van de Krijgsraad om de schorsing op te heffen in het 8 decemberproces aan te vechten.

Kanhai beweert, dat het vonnis van de Krijgsraad van 11 mei 2012 nog recht overeind staat. De Krijgsraad had toen gesteld, dat eerst de prealabele vraag beantwoord moest worden of er geen sprake van inmenging is in een zaak die aanhangig is gemaakt bij de rechter. Die vraag is volgens Kanhai nog niet beantwoord.

Bij alle wetten die aangenomen worden vindt volgens hem inmenging plaats. ‘De wetten zijn juist bedoeld om in te grijpen in zaken om regulerend op te treden‘, stelt de raadsman.

Hij zal in elk geval in beroep gaan tegen het besluit van de Krijgsraad. Daarnaast zal hij op de zitting van 30 juni excepties opwerpen. Kanhai haalt aan, dat in de Krijgsraad ook nieuwe rechters zijn, die het proces niet meegemaakt hebben. De advocaat vindt dat het belangrijk is dat rechters de getuigen gehoord hebben. Hij vindt wel, dat het inderdaad te lang duurt om het Constitutioneel Hof in te stellen. Dat is een minpunt, stelt de advocaat.

Kanhai blijft erbij, dat het Openbaar Ministerie in deze zaak niet ontvankelijk is, door de Amnestiewet. De advocaat-generaal kan besluiten om geen strafeis te stellen. Hij kan ook vrijspraak vragen, maar uiteindelijk beslist de rechtbank. Met de uitspraak van de Krijgsraad is volgens Kanhai een ernstige situatie ontstaan, waarbij de rechtsstaat en de openbare orde in gevaar worden gebracht. Hij zal in na overleg met zijn cliënten zijn verdere strategie bepalen. ‘Maar, ik ga alle laden opentrekken.’

 

punt

Brief nabestaanden aan parlement inzake amnestie

Brief nabestaanden aan parlement inzake amnestie:

Geachte,
1. Voorzitter en leden van De Nationale Assemblee
2. de Regering van de Republiek Suriname

Op maandag 19 maart 2012 is publiekelijk bekend gemaakt en daardoor hebben ondergetekenden, allen medeverzoekers betrekkelijk het verzoek aan het Hof van Justitie van Suriname in het jaar 2000 om strafvervolging te bevelen van onder meer Desiré Delano Bouterse terzake van moord en medeplichtigheid aan moord, daarvan kennis genomen dat door 6 leden van uw college krachtens artikel 78 van de grondwet van de Republiek Suriname een ontwerp van wet aan uw college ter behandeling is voorgelegd inhoudende wijziging en aanvulling van de Amnestiewet 1989.

Ondergetekenden zijn van oordeel dat uw college voormeld ontwerp van wet rechtens niet vermag goed te keuren en wel op de navolgende gronden.
Dit schrijven richten ondergetekenden dan ook aan u als inhoudende een verzoek in de zin van artikel 22 lid 1 van de grondwet.
Vermelde gronden zijn dan de volgende:

1. Ingevolge artikel 4 van het wetboek van strafvordering heeft het Hof van Justitie van Suriname bij beschikking d.d. 31 oktober 2000 haar Procureur-Generaal bevolen tegen de persoon van Desiré Delano Bouterse en tegen diegenen die daarvoor in aanmerking komen een strafvervolging in te stellen ter zake van moord en medeplichtigheid aan moord.

Op 8 november 2000 heeft de Procureur-Generaal, gevolg gevend aan voormeld vervolgingsbevel, aan de Rechter Commissaris een vordering tot het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek gedaan tot welk gerechtelijk vooronderzoek de Rechter Commissaris ook is overgegaan. Daarmede was de vervolging van Bouterse en andere voornoemde personen aangevangen en was daardoor ook de zaak bij de rechter aanhangig.

In gevolge artikel 131 lid 3 van de grondwet is elke inmenging inzake de vervolging en inzake bij de Rechter aanhangig, verboden. Dit verbod richt zich tot zowel de gewone burger als de organen van de staat die met de hoogste trappen van staatsmacht zijn bekleed.

Dit laatste blijkt helder en duidelijk uit artikel 69 van de grondwet luidende: “de wetgever, de regering en de overige overheidsorganen nemen de bepalingen van de grondwet in acht”.
Het verlenen van amnestie door de wetgever houdt in: het opheffen van de vervolgbaarheid of verdere vervolgbaarheid van een verdachte. Op grond van het voorgaande betekent dus het verlenen van amnestie aan personen die vervolgd worden en wier zaak zich onder de rechter bevindt een ernstige schending van artikel 131 lid 2 voormeld, aangezien het helder en duidelijk een inmenging inhoudt in zaken die zich onder de rechter bevinden.

2. Suriname is sinds 12 november 1987 partij bij ‘The American Convention on Human Rights 1969’ en ingevolge artikel 1 van dit verdrag is Suriname verplicht de bepalingen van dit verdrag volledig te respecteren en te handhaven. Die verplichting wordt wat betreft de rechterlijke bescherming van de rechten van dat verdrag aan personen toegekend nader gepreciseerd in artikel 25 lid 2 sub C van dit verdrag inhoudende dat de organen van de staat verplicht zijn om te verzekeren dat die rechterlijke bescherming ook geïmplementeerd wordt en effectief is.

Als nu zoals boven aangegeven amnestie verleend zou worden met betrekking tot de personen die krachtens bovenvermelde beschikking van het Hof van Justitie van Suriname vervolgd worden, en wier zaak dus onder de rechter is, dan is mitsdien de consequentie dat de staat Suriname zich schuldig maakt aan een ernstige schending van artikel 25 van ‘The American Convention on Human Rights 1969’. De redegeving voor bovenvermeld wetsvoorstel is volstrekt ondeugdelijk zoals die is neergelegd in het intitulé daarvan en in het daarbij gevoegde concept voor een memorie van toelichting.

Immers, op geen enkele wijze wordt aangegeven dat de nationale eenheid in verdere ongestoorde ontwikkeling van de Republiek Suriname in gevaar zou komen als geen amnestie wordt verleend. Dat een dergelijke aangifte niet is geschied is uiteraard een gevolg van het feit dat dát gevaar niet bestaat. Ter dien aanzien moet nog worden opgemerkt dat amnestie een beleidsinstrument is voor oplossing van conflictsituaties die zich binnen de gemeenschap of delen daarvan kunnen voordoen en dus is er geen sprake van onderbreking van amnestieperioden aangezien elke amnestie een op zichzelf staande handeling is, toegespitst op een zich op een bepaald moment voordoende situatie.

De argumentatie in voormeld concept voor memorie van toelichting dat voortgang van de vervolging van bovengenoemde personen een eensgezinde ontwikkeling van de staat Suriname zou verstoren, is evenzeer een totaal ondeugdelijke stelling.
Immers, juist wanneer de onafhankelijke en onpartijdige rechter zijn oordeel heeft gegeven over de deugdelijkheid van de vervolging, zal de gemeenschap dit accepteren en vervolgens voortgaan met inachtneming van dat oordeel haar leven te vervolgen.
Het ecarteren van een dergelijk oordeel door een politiek besluit zal in tegendeel tot frustratie van die acceptatie leiden.

Ondergetekenden doen dan ook een zeer dringend beroep om het aan u voorgelegde wetsontwerp niet in behandeling te nemen c.q. niet goed te keuren en doen voorts een dringend beroep op de regering c.q. President om indien niettemin van een dergelijke goedkeuring sprake zou zijn, het wetsontwerp zoals voormeld niet te bekrachtigen.”

Nabestaanden van de slachtoffers van 8 december 1982:
H. Kamperveen
D. Leckie
U. Bainathsah (namens Rambocus)
R. Sohansingh
J. Riedewald
H. Behr
E. Wijngaarde
Shantie Sheombar
Shanti Adhin (namens familie Baboeram)
T. Oemrawsingh

Organisatie voor Gerechtigheid en Vrede:
Betty A. Goede- Jong- A- Lim
H. Leeuwin- Alvares

Stichting Moiwana:
Danny Egger

Stichting 8 december 1982:
E. Wijngaarde