punt

Brief nabestaanden aan parlement inzake amnestie

Brief nabestaanden aan parlement inzake amnestie:

Geachte,
1. Voorzitter en leden van De Nationale Assemblee
2. de Regering van de Republiek Suriname

Op maandag 19 maart 2012 is publiekelijk bekend gemaakt en daardoor hebben ondergetekenden, allen medeverzoekers betrekkelijk het verzoek aan het Hof van Justitie van Suriname in het jaar 2000 om strafvervolging te bevelen van onder meer Desiré Delano Bouterse terzake van moord en medeplichtigheid aan moord, daarvan kennis genomen dat door 6 leden van uw college krachtens artikel 78 van de grondwet van de Republiek Suriname een ontwerp van wet aan uw college ter behandeling is voorgelegd inhoudende wijziging en aanvulling van de Amnestiewet 1989.

Ondergetekenden zijn van oordeel dat uw college voormeld ontwerp van wet rechtens niet vermag goed te keuren en wel op de navolgende gronden.
Dit schrijven richten ondergetekenden dan ook aan u als inhoudende een verzoek in de zin van artikel 22 lid 1 van de grondwet.
Vermelde gronden zijn dan de volgende:

1. Ingevolge artikel 4 van het wetboek van strafvordering heeft het Hof van Justitie van Suriname bij beschikking d.d. 31 oktober 2000 haar Procureur-Generaal bevolen tegen de persoon van Desiré Delano Bouterse en tegen diegenen die daarvoor in aanmerking komen een strafvervolging in te stellen ter zake van moord en medeplichtigheid aan moord.

Op 8 november 2000 heeft de Procureur-Generaal, gevolg gevend aan voormeld vervolgingsbevel, aan de Rechter Commissaris een vordering tot het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek gedaan tot welk gerechtelijk vooronderzoek de Rechter Commissaris ook is overgegaan. Daarmede was de vervolging van Bouterse en andere voornoemde personen aangevangen en was daardoor ook de zaak bij de rechter aanhangig.

In gevolge artikel 131 lid 3 van de grondwet is elke inmenging inzake de vervolging en inzake bij de Rechter aanhangig, verboden. Dit verbod richt zich tot zowel de gewone burger als de organen van de staat die met de hoogste trappen van staatsmacht zijn bekleed.

Dit laatste blijkt helder en duidelijk uit artikel 69 van de grondwet luidende: “de wetgever, de regering en de overige overheidsorganen nemen de bepalingen van de grondwet in acht”.
Het verlenen van amnestie door de wetgever houdt in: het opheffen van de vervolgbaarheid of verdere vervolgbaarheid van een verdachte. Op grond van het voorgaande betekent dus het verlenen van amnestie aan personen die vervolgd worden en wier zaak zich onder de rechter bevindt een ernstige schending van artikel 131 lid 2 voormeld, aangezien het helder en duidelijk een inmenging inhoudt in zaken die zich onder de rechter bevinden.

2. Suriname is sinds 12 november 1987 partij bij ‘The American Convention on Human Rights 1969’ en ingevolge artikel 1 van dit verdrag is Suriname verplicht de bepalingen van dit verdrag volledig te respecteren en te handhaven. Die verplichting wordt wat betreft de rechterlijke bescherming van de rechten van dat verdrag aan personen toegekend nader gepreciseerd in artikel 25 lid 2 sub C van dit verdrag inhoudende dat de organen van de staat verplicht zijn om te verzekeren dat die rechterlijke bescherming ook geïmplementeerd wordt en effectief is.

Als nu zoals boven aangegeven amnestie verleend zou worden met betrekking tot de personen die krachtens bovenvermelde beschikking van het Hof van Justitie van Suriname vervolgd worden, en wier zaak dus onder de rechter is, dan is mitsdien de consequentie dat de staat Suriname zich schuldig maakt aan een ernstige schending van artikel 25 van ‘The American Convention on Human Rights 1969’. De redegeving voor bovenvermeld wetsvoorstel is volstrekt ondeugdelijk zoals die is neergelegd in het intitulé daarvan en in het daarbij gevoegde concept voor een memorie van toelichting.

Immers, op geen enkele wijze wordt aangegeven dat de nationale eenheid in verdere ongestoorde ontwikkeling van de Republiek Suriname in gevaar zou komen als geen amnestie wordt verleend. Dat een dergelijke aangifte niet is geschied is uiteraard een gevolg van het feit dat dát gevaar niet bestaat. Ter dien aanzien moet nog worden opgemerkt dat amnestie een beleidsinstrument is voor oplossing van conflictsituaties die zich binnen de gemeenschap of delen daarvan kunnen voordoen en dus is er geen sprake van onderbreking van amnestieperioden aangezien elke amnestie een op zichzelf staande handeling is, toegespitst op een zich op een bepaald moment voordoende situatie.

De argumentatie in voormeld concept voor memorie van toelichting dat voortgang van de vervolging van bovengenoemde personen een eensgezinde ontwikkeling van de staat Suriname zou verstoren, is evenzeer een totaal ondeugdelijke stelling.
Immers, juist wanneer de onafhankelijke en onpartijdige rechter zijn oordeel heeft gegeven over de deugdelijkheid van de vervolging, zal de gemeenschap dit accepteren en vervolgens voortgaan met inachtneming van dat oordeel haar leven te vervolgen.
Het ecarteren van een dergelijk oordeel door een politiek besluit zal in tegendeel tot frustratie van die acceptatie leiden.

Ondergetekenden doen dan ook een zeer dringend beroep om het aan u voorgelegde wetsontwerp niet in behandeling te nemen c.q. niet goed te keuren en doen voorts een dringend beroep op de regering c.q. President om indien niettemin van een dergelijke goedkeuring sprake zou zijn, het wetsontwerp zoals voormeld niet te bekrachtigen.”

Nabestaanden van de slachtoffers van 8 december 1982:
H. Kamperveen
D. Leckie
U. Bainathsah (namens Rambocus)
R. Sohansingh
J. Riedewald
H. Behr
E. Wijngaarde
Shantie Sheombar
Shanti Adhin (namens familie Baboeram)
T. Oemrawsingh

Organisatie voor Gerechtigheid en Vrede:
Betty A. Goede- Jong- A- Lim
H. Leeuwin- Alvares

Stichting Moiwana:
Danny Egger

Stichting 8 december 1982:
E. Wijngaarde

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *