Eerste zittingsdag – deel 2

Vrijdag 30 november 2007
Het is rustig en ingetogen op het meldpunt. Alles verloopt volgens plan.
De veiligheidsmensen zijn alert. Vroeg in de ochtend was er een bommelding. Loos alarm! Op en om de basis is alles gecheckt en er is niets gevonden…

Tegen negenen melden de eerste nabestaanden en verdachten zich. Imro Themen is de eerste verdachte die zich aanmeldt. Hij wordt door zijn vrouw begeleid.
Op het parkeerterrein staan drie tafels. Daar kan men zich laten registreren. De linker tafel is bestemd voor de nabestaanden en de rechter tafel voor de verdachten. Zo dicht bij elkaar zijn verdachten en nabestaanden nooit eerder geweest. De confrontatie wordt door beide partijen als onprettig ervaren. Vooral de verdachten voelen zich zichtbaar niet op hun gemak. De aandacht van de pers wordt niet op prijs gesteld. Bij het zien van de camera’s proberen de verdachten deze te ontwijken door de gezichten af te wenden of bij de camera’s vandaan te lopen. De aan hen gestelde vragen worden afgedaan met: ‘Geen commentaar.’ De nabestaanden daarentegen zijn blij met de aanwezigheid van de pers. Zij staan ons geduldig te woord. ‘Ja, het is een historische dag, emotioneel ook!’ ‘ Een dag waarop al 25 jaar wordt gewacht’ en ‘We hebben vertrouwen in een goede afloop.’

Het wachten is op hoofdverdachte Desi Bouterse. Wat zal hij doen?
Omstreeks half tien wordt het duidelijk dat hij niet komt. Een telefoontje van een partijgenoot verschaft ons die informatie. ‘Laf!’ zeggen enkele nabestaanden.
‘Natuurlijk komt hij niet. Ze hebben het op zijn leven gemunt,’ zegt een aanwezige ex-militair die geïnteresseerd is in de zaak.
De nabestaanden worden in shuttlebussen naar de rechtbank gebracht en de verdachten in personenauto’s.

Omstreeks half elf zitten we in de zaal en roept een militair: ‘Staan!’
We staan op en de waarnemend president van de rechtbank Cynthia Valstein loopt de rechtzaal binnen. Twee militaire deskundigen en de griffier volgen haar. Ook de aanklager, de Auditeur-Militair John Mohammedamin, begeeft zich naar zijn plaats.

De president opent de zitting. Het is een plechtig moment.
We moeten ons inspannen om te kunnen verstaan wat er gezegd wordt. Omdat het geluid zacht is en van ver lijkt te komen, ontstaat er bij mij een onwerkelijk en vervreemdend gevoel. Het is alsof je door een geluiddichte ruit van buitenaf naar binnen kijkt. Je voelt je buiten maar tegelijkertijd ook binnen. Ik kijk om me heen en zie dat iedereen zijn blik gericht heeft op de trap aan de linkerkant van de zaal.

Mijn gedachten dwalen af…zou hij toch nog komen? Misschien is hij over de voor ons hermetisch afgesloten rivier binnengekomen…
Ik moet erbij vertellen dat deze gedachte voortvloeit uit een traumatische ervaring, die ik opliep als jonge televisiemaker. Dat was indertijd bij de installatie van Ema Bouma. Zij was het eerste extreemlinkse gemeenteraadslid in Nederland. Om haar te beschermen tegen het oog van de camera’s en het publiek, had de toenmalige burgemeester Van Thijn meegewerkt om haar onopvallend het gebouw binnen te loodsen.

Een militair die belast is met het binnenhalen van de verdachten, gaat naar beneden. Daar bevindt zich de wachtruimte van de verdachten. Hij komt terug en roept: ‘Niet aanwezig!’
Het gaat om de verdachte Désiré Delano Bouterse.
Zijn advocaat weet niet waarom zijn cliënt niet aanwezig is. Kanhai zet gaandeweg de zitting uiteen waarom de Krijgsraad niet het orgaan is, waarvoor Bouterse moet verschijnen. Hij vervulde toen een burgerfunctie en was geen militair, aldus Kanhai. Hij vindt dat het Hof van Justitie de aangewezen plek is voor berechting van zijn cliënt. Daarom moet de dagvaarding nietig, de Auditeur-Militair niet ontvankelijk en de Krijgsraad niet bevoegd worden verklaard.
De Auditeur-Militair John Mohammedamin weerlegt dit. Het was voor iedereen duidelijk dat Bouterse militair was. Hij liep in werktijd altijd in militair tenue en hield kantoor in Fort Zeelandia of in de Memre Boekoe Kazerne.
De Auditeur-Militair haalt verder aan, dat Kanhai in eerdere stadia zijn bezwaarschriften ook aan de Krijgsraad heeft gericht en niet aan het Hof.
Waarom de Auditeur niet zegt dat Bouterse als militair op ondemocratische wijze aan de macht is gekomen, begrijp ik niet. Kanhai had ook kunnen zeggen dat de decreten, mede getekend door Bouterse, nu nog in het wetboek van strafrecht staan.
Bouterse verscheen dus niet. Wel aanwezig waren: Arthy Gorré, Etiënne Boerenveen, Jimmy Stolk, Iwan Krolis, Iwan Dijksteel, Imro Themen, Errol Alibux en Marcel Zeeuw. Net als bij Bouterse krijgen zij te horen dat zij na kalm beraad de in Suriname verblijvende personen koelbloedig hebben doodgeschoten. Zij zijn hierdoor medeplichtig aan deze moorden en/of uitlokking daarvan.

Een aantal advocaten, Oscar Koulen, Frank Truideman en Henk Veldkamp, maakten melding van het feit dat zij ondanks herhaaldelijk verzoek aan de Audititeur-Militair het dossier nog niet hebben ontvangen. Daardoor is het hen onmogelijk gebleken hun cliënten te verdedigen. Er ontstaat enig rumoer in de zaal en de rechters kijken elkaar aan.

Na de schorsing beslist de president dat het strafdossier uiterlijk op 6 december in het bezit moet zijn van de advocaten. Het antwoord op het verweer van Kanhai wordt verdaagd naar 17 december. Op die dag hebben bovengenoemde advocaten ook de gelegenheid om in verweer te gaan. Justitie is ervan overtuigd dat het dagvaarden correct is verlopen. De algemene verwachting is dat de verweren om deze reden niet gegrond zullen worden verklaard.

Na de zitting ga ik met Kanhai mee. We kijken samen naar de berichtgeving op de televisie. Het verhaal van Lilian Gonçalves, een van de nabestaanden, raakt hem.
‘Ik wou dat ik iets voor ze kon doen,’ zegt hij zacht. ‘Ik kan niets voor ze doen.’
‘Nee,’ zeg ik, ‘want u staat aan de andere kant.’
‘Ik sta aan geen enkele kant,’ roept hij fel uit. ‘Ik ben advocaat, ik heb een case!’

De eerste zittingsdag

Vrijdag 30 november 2007.
Dit is het laatste inleidende verhaal voorafgaand aan het strafproces van de Decembermoorden.
Bouterse en de 24 verdachten zijn voor vandaag gedagvaard. Gisteren sprak ik zijn advocaat, Irwin Kanhai en die zei, dat zijn cliënt zeker naar Boxel gaat. Niet op zijn aanraden, maar omdat Bouterse dat zelf wil.

Al eerder in tegenstelling tot de berichtgeving in de media had ik Bouterse al horen zeggen, dat hij ging. Hij heeft tenslotte niets te verbergen. Op een partijmeeting had hij het ook aan zijn aanhang gevraagd: ‘Mi moes’ go? mi moes’ go?’ (moet ik gaan?) Het publiek stemde joelend in. In een interview met Harvey Naarendorp, een van de verdachten en partijtopper van de NDP, las ik, dat het ook goed mogelijk is, dat er niemand verschijnt. ‘Er is geen vertrouwen in een eerlijk proces.’ Wie er wel komen?
We zullen het vandaag weten.

Bouterse houdt vol, dat niemand bij hem is voorgeleid en dat hij niemand heeft doodgeschoten. Hij neemt wel de politieke verantwoordelijkheid op zich, maar is onschuldig. Ik heb zijn verklaring gelezen. In het dossier viel mij op, dat Bouterse Maurice Bishop vrij pleit. Bishop, de president van Grenada en het grote revolutionaire voorbeeld van Bouterse, brengt in oktober 1982 een bezoek aan Suriname. Op een door Bouterse in aanwezigheid van Bishop gehouden massameeting komen naar schatting 1500 mensen. Vakbondsleider Cyrill Daal, een van de slachtoffers, organiseert op diezelfde dag een protestdemonstratie en daar komen 15.000 mensen op af. Dat betekent voor Bouterse gezichtsverlies.

Bishop zou toen gezegd hebben, dat je zoiets niet kan laten passeren. In zijn verklaring ontkent Bouterse de gedachte, dat Bishop de aangever voor 8 december was. Hij omschrijft Bishop zelfs als ‘een gematigd en zachtmoedig man.’
Veel mensen herinneren zich nog de dreiging, die uitging van de woorden, die Bouterse zijn gehoor toeriep aan het adres van Daal. ‘Wat zal ik met hem doen? Wat zal ik met hem doen? Me pai ing contant!’ Ik zal hem contant betalen. Na het oppakken van Daal en zijn executie in december 1982 krijgt deze uitspraak pas zijn volle betekenis. ‘Nee,’ zegt Bouterse, ‘mijn taalgebruik toen moet niet gezien worden als bedreiging naar Daal, maar als ludiek taalgebruik om de massa op te zwepen.’

Hij bevestigt, dat er een lijst was, waarop mensen als persona non grata waren geplaatst. Zij zouden het land worden uitgezet. Er stonden aanvankelijk meer namen op de lijst, dan de 15, die zijn vermoord. Vijf tot zeven mensen konden ze niet vinden. Verder was hij op 8 december overdag in Fort Zeelandia en heeft toen met Fred Derby, een andere vakbondsleider, gesproken.

Zijn advocaat Irwin Kanhai zegt, dat deze zaak simpel is. ‘Van de beschuldigingen blijft niets overeind,’ zegt hij. Kanhai is goed in zijn cliënten vrij te krijgen op vormfouten. Hij is een aardige, zeer toegankelijke man. Ik heb hem verschillende keren op zijn kantoor bezocht. We hebben gepraat over Suriname, over de stand van zaken, het proces en hoe het land ervoor staat. Hoe het verworden is tot een narcostaat. Het baart hem ook zorgen, dat er nog zo weinig mensen zijn, die in de modder willen staan om een eerlijke boterham te verdienen. Als advocaat ‘dealt’ hij met de realiteit. In de 8 decemberstrafzaak is hij de advocaat van zes verdachten: Desi Bouterse, Imro Themen, Errol Alibux , Iwan Krolis, Benny Brondenstein en Ernst Geffery.

De afgelopen weken was het onrustig in de stad. Geruchten over aanslagen en branden deden de ronde. Ik hoorde over de vluchtplannen van Bouterse en de deal met Nederland om hem niet te veroordelen, maar zijn actief en passief kiesrecht af te pakken en hem levenslang in ballingschap te houden in eigen land. Wat moet je ermee?
In dit kader schiet het fenomeen van de Chattenham Rules me te binnen. Dit betekent, dat je informatie toegeschoven krijgt, die je niet kan verifiëren. Hierover gelden afspraken om de bronnen niet te noemen. Zo glijdt de berichtgeving langzaam af naar sensatie. Het volk is al begonnen met hamsteren…

Met enige opwinding verlaat ik het huis. Een beperkt aantal journalisten mag de zitting in de rechtzaal bijwonen. Ik ben daarbij.

Begin Strafproces

Vijfentwintig jaar na de moorden begint het strafproces naar de 8 Decembermoorden. Op 4 juli 2008 worden de eerste verdachten en getuigen opgeroepen. In totaal zullen er 25 verdachten en vele tientallen getuigen worden opgeroepen. Oud-bevelhebber Desi Bouterse wordt als de ‘hoofdverdachte’ gezien. Hij ontkent elke betrokkenheid bij de moorden en verschijnt nooit voor de Krijgsraad. Hij biedt in 2007 als politiek verantwoordelijke voor het eerst zijn excuses voor de moorden aan.

Behalve als het proces oponthoud ondervindt of er diepgaand onderzoek nodig is, zijn er met enige regelmaat een tot twee zittingen per maand in de speciaal voor dit proces ingerichte rechtbank te Boxel, een plaatsje even buiten Paramaribo.

Tussen 2009 en begin 2012 zijn er op deze site geen exclusieve verhalen verschenen. De dossiers van de verdachten zijn wel steeds met bijzonderheden uit de verhoren bijgewerkt. In maart 2012 wordt de berichtgeving op deze site vervolgd in de blog sectie.

Ivan Graanoogst

‘Het is belangrijk om achter de waarheid te komen. Een waarheidscommissie zou ons aan de waarheid kunnen helpen, een strafproces niet. In 1986 was professor Waaldijk -inmiddels overleden – al bezig daar een plan voor te maken. Dat proces is afgebroken.’

Dit zegt ex-legerofficier Ivan Graanoogst als ik hem spreek op zijn terras van zijn woonhuis in Paramaribo-Zuid. In 1982 was hij Minister van Leger en Politie. In zijn tuin zie ik een bijzondere verzameling planten en dieren…

Lees meer

punt

Laurence Neede

Een paar keer eerder had ik  Laurence Neede al ontmoet en altijd knikten we vriendelijk naar elkaar. Op een dag vraag ik wat hij denkt van een goed gesprek. ‘Waarover’, vraagt hij. Om hem niet direct af te schrikken, zeg ik: ‘Over de revolutie!’ Dat wil hij wel en geeft me zijn telefoonnummers. ‘Bel me maar!’

We spreken af in Ocer, het partijgebouw van de NDP. Op de afgesproken dag belt hij me. Gelukkig niet om af te zeggen, maar of het iets later kan. Zijn vrouw moet voor controle naar het ziekenhuis. ‘U weet hoe vrouwen zijn. Als je niet mee gaat, vinden ze dat je geen
aandacht voor ze hebt.’

Lees meer

John van Niesewand

Op maandag 19 november 2007 heb ik een afspraak met de president van het Hof, John von Niesewand. Het Hof bevindt zich in een een statig pand uit de koloniale tijd aan de Mr. de Mirandastraat, in het hart van de stad . Op de bovenverdieping wordt nog recht gesproken.

Von Niesewands kamer in het Hof van Justitie is een oase van rust. Ik kijk terloops om me heen voor ik plaats neem. Naast zijn bureau met wat stoelen er omheen staat de Surinaamse vlag. In de kamer staan ook een bankstel van zachtgroen leer en boekenkasten met dossiers. Aan de wand hangt een oude prent.

Lees meer